De rechterlijke macht is in een rechtsstaat de macht waaraan de
rechtspraak is opgedragen. De andere machten zijn de wetgevende
macht en de uitvoerende macht. Een van de kenmerken van een
rechtsstaat is een scheiding tussen de drie machten. Dit is om
onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te waarborgen.
De Nederlandse rechterlijke macht bestaat uit:
de rechters
rechters (rechtbanken, met de afdelingen: strafrecht, civiel recht,
bestuursrecht en de sector kanton)
raadsheren (gerechtshoven en Hoge Raad der Nederlanden)
officieren van justitie, die het Openbaar Ministerie vormen
rechterlijk ambtenaren in opleiding (raio) (vanaf de parketstage)
Ten dienste van de rechterlijke macht staan de griffiers
(secretarissen).
De rechters worden aangeduid als de zittende magistratuur, de
officieren van justitie als de staande magistratuur. Dit onderscheid
is letterlijk: in de rechtszaal zit de rechter, de officier van
justitie staat.
Rechterlijk ambtenaren in opleiding behoren (nog) niet tot de
zittende of staande magistratuur; zij zijn nog in opleiding voor het
beroep van rechter of officier van justitie. Rechters en leden van
het Openbaar Ministerie worden door de Kroon benoemd. Rechters
worden voor het leven benoemd.
In de rechtspraak wordt een onderscheid gemaakt in strafrecht,
civiel of burgerlijk recht en bestuursrecht.
Niet altijd wordt bij een ernstig conflict tussen personen of
organisaties de civiele rechter ingeschakeld. Soms zoekt men een
oplossing via mediation of een geschillencommissie.
De huidige rechterlijke organisatie in Nederland is ontleend aan de
Franse rechterlijke organisatie, die in de jaren 1811-1813 gegolden
heeft, toen Nederland bij Frankrijk was ingelijfd. De Wet op de
Rechterlijke Organisatie van 1827 is voor een groot deel daarop
gebaseerd.