Het beroepsgeheim is de plicht om te zwijgen over feiten en
gegevens van derden, die iemand bij het uitoefenen van zijn beroep
te weten is gekomen. Het wordt ook wel zwijgplicht genoemd. Het gaat
daarbij vooral om vrije beroepen. Het beroepsgeheim geldt niet, als
de betrokkene al of niet schriftelijk toestemming geeft om aan
derden inlichtingen te verstrekken. Het beroepsgeheim voor artsen en
andere medische hulpverleners is geregeld in art. 457 van Boek 7 van
het Burgerlijk wetboek en in art. 88 van de wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Schending van het
beroepsgeheim is bovendien strafbaar (art. 272 Wetboek van
Strafrecht). Het is geen absoluut recht, omdat het op grond van
zwaarwegende maatschappelijke belangen door de rechter kan worden
doorbroken. Aan het beroepsgeheim is voor een aantal beroepen het
verschoningsrecht verbonden, het recht om vragen van een rechter
niet te behoeven te beantwoorden.
Het beroepsgeheim geldt momenteel in de meeste westerse landen. De
beroepen waarvoor het geldt zijn onder meer:
medici, artsen en verpleegkundigen
advocaten
notaris
accountants
priesters
katholiek, oudkatholiek, orthodox
voor protestante geestelijken geldt het niet in de zin van het
biechtgeheim, omdat protestanten geen biecht in de katholieke zin
kennen
paramedici
tolken.
journalisten; in Nederland werd bijvoorbeeld de journalist Koen
Voskuijl door de rechtbank gegijzeld wegens zijn weigering om
mededelingen aan de rechter te doen.
Het beroepsgeheim dient ervoor te zorgen dat deze professionals
ongehinderd hun werk kunnen doen, en dat hun cliënten vrijuit kunnen
spreken.